Praktijk voor natuurlijke genezing Balans Enschede

Devil in the milk, over wat zgn. A1 melk met ons doet


27-10-2014

Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.
Het wetenschappelijk bewezen gezondheidsverschil tussen de melk van Holstein Frisian koeien en jerseymelk.

Onderstaand artikel is overgenomen uit het vaktijdschrift “Beyond Medicine”, nr. 2, 2014.

Beste redactie,
Ik wil u het volgende mededelen. Ik heb als fysiotherapeut vijf jaren in Zuid-Afrika gewerkt, van 1990-1994. Het ziekenhuis werd geleid door dr.Daynes (inmiddels overleden). Deze arts was zeer bijzonder. Hij heeft ziekenhuizen in Zuid-Afrika opgezet zo groot als het AMC Amsterdam en hij was altijd bezig met het lezen van artikelen uit Amerika (hfdz), en die vertelde hij dan in de doktersbijeenkomsten (waar ik als enige fysio bij mocht zijn). Als ik patiënten met gewrichtsklachten en/of reuma op de afdeling kreeg (vanuit de outpatients), dan moest ik ze doorsturen naar hem.
Zijn belangrijkste advies bleek: Geen melk/melkproducten en frisdrank uit pak.
Deze aanpak bleek succesvol. Let wel: Het gaat om de zwarte bevolking van Zuid-Afrika (die kunnen voor 90% niet tegen melk en melkproducten). Deze info heb ik meegenomen naar Nederland en ook het blanke ras kan niet altijd tegen deze producten. Uiteraard is er steeds meer bekend in deze tijd over melkproducten dan toen, maar ik wilde u dit toch mededelen, aangezien dit een zeer bijzonder en goed arts was, die zeer op de hoogte was van alle artikelen (en niet alternatief was). Mijn eigen interesse blijft het uitzoeken van het waarom we problemen met melk ondervinden. Kan het door het homogeniseren komen van de melk? Of doordat de koe niet meer zelf zijn gras (en kruiden) kan zoeken? Of dat onze melk is gemuteerd van A1- naar A2-melk (zie Nieuw-Zeeland)?

Wat misschien een leuke anekdote is: ik ben zelf gediagnosticeerd door de dermatoloog in 1986 met reuma (hoge reumafactoren). Ik heb daarna vier jaar in Zuid-Afrika gewerkt en had daarna geen reumafactoren meer. Hoe dit kan? Warm klimaat? Weinig melkproducten? Gelukkig zijn? Geen tijdsdrukstress?

Succes en m.v.g., Mw. M. Lanting



WAT WETEN WE NU OVER DEZE ‘VERKEERDE’A1-MELK
Men heeft ontdekt dat niet iedere melk hetzelfde is met betrekking tot de caseïne (eiwit) die het bevat. Verschillende soorten melk zijn onder te verdelen in twee groepen: A1 en A2. Zo bevat koemelk bijvoorbeeld andere caseïne dan geiten-, schapen- en paardenmelk. Koemelk heeft ongeveer 32 gram eiwit, waarvan 82% caseïne en 18% wei. Tot nu toe zijn eer vier subklasse caseïne ontdekt; alfa-s1-, alfa-s2-, bèta- en kappacaseïne. De caseïne uit koemelk bestaat voornamelijk uit 25-30% bètacaseïne. Van dit laatste type caseïne zijn dertien genetische varianten gevonden, waarvan type A1 en A2 het meest voorkomen. Het verschil tussen A1 en A2 zit hem in kleine stofjes: histidine, dat in A1 voorkomt en proline in A2. Uit onderzoek blijkt dat het enzym elastase uit de pancreas, de bètacaseïne A1 op de histidineplek kan splitsen. Daarbij wordt de peptide BCM-7 (betacasomorfine-7) er afgehaald. Dit proces gebeurt niet bij het A2-type. Het in het spijsverteringskanaal vrijgekomen BCM-7 is een zeer krachtige opioïd en oxidant en wordt gezien als de boosdoener bij veel klachten. De meeste koeien (75%) in de wereld (ook in Nederland) produceren A1-melk. Guernsey- en Jersey-koeien produceren A2-melk. Geiten- en schapenmelk bevatten bètacaseïne type A2.



EFFECT OP DE GEZONDHEID
Het gezondheidsverschil blijkt behoorlijk te zijn. A1-bèta-caseïne kan bijvoorbeeld bij mensen met een leaky gut syndroom (lekkende darm syndroom) onverteerd de bloedbaan bereiken en ellende veroorzaken. A2-caseïne blijkt prima en veroorzaakt geen narigheid. Dit alles omdat bèta-caseïne uit A1-koeien het stofje BCM-7 niet goed vasthoudt en het in de bloedbaan terecht laat komen. De achtergrond en het gevaar hiervan is dat bèta-caseïne een eiwit is dat bioactieve peptiden en opioïden bevat. Deze bioactieve peptiden zijn belangrijk voor de bescherming van het nog onontwikkelde immuunsysteem bij pasgeborenen en bij de groei en ontwikkeling van organen zoals het maag-darmkanaal. Bioactieve peptiden hebben ook aangetoond dat ze bacteriën doden die normaal gesproken infecties in het immuunsysteem veroorzaken. Opioïden hebben pijnstillende effecten, kalmerende eigenschappen, zijn slaapopwekkend en spelen een rol in de controle van voedselinname. Opioïden worden geproduceerd door het lichaam in de vorm van endorfine, of worden geabsorbeerd uit verteerd voedsel, zoals melk en tarwe, in de vorm van casomorfines en gluteomorfines (opioïde eiwitten). Caseïne uit A2-melk houdt het BCM-7 zoals we boven gelezen hebben wel goed vast en het verlaat zo de darmen zonder te worden opgenomen en dus zonder schade te veroorzaken. BCM-7 kan nadelig inwerken op mensen met klachten binnen het autistisch spectrum, maar ook op mensen met schizofrenie, suikerziekte, etc.

NIET TEGEN MELK KUNNEN
Als er als gesproken wordt over klachten door melk, dan blijk dat er verschillende termen zijn die vaak door elkaar worden gegooid, zoals lactose-intolerantie en koemelkallergie. Dit zijn echter twee verschillende reacties op melk. Bij een koemelkallergie reageert het lichaam allergisch op de eiwitten die in koemelk zitten. Bij lactose-intolerantie is de boosdoener een suiker (lactose) die in melk en in melkproducten voorkomt.

LACTOSE-INTOLERANTIE
Om lactose, de suiker in koemelk, te kunnen verteren heb je het enzym lactase nodig. Lactase wordt in de dunne darmwand aangemaakt. Als er geen of niet voldoende lactase wordt aangemaakt, kan lactose in onze voeding niet goed verteerd worden. Bij de mens vindt de lactase-productie in de baby plaats in het laatste kwartaal van de zwangerschap en na de geboorte. Indien er geen lactase meer gevormd wordt in het jejenum, dan wordt de lactose door bacteriën omgezet in gas (CO2) en melkzuur, dat vocht aanzuigt. Dit veroorzaakt diarree, krampen, opgezette buik, flatulentie en sporen bloedverlies, met anemie (=bloedarmoede) tot gevolg. Hierdoor kunnen dus klachten ontstaan. We spreken dan van lactose-intolerantie. Er zijn zo’n 2,5 miljoen Nederlanders die melkintolerantie hebben. Maar zoals we later zullen bespreken zijn die meestal niet lactose-intolerant, en zijn de nu in opkomst zijnde lactose-vrije producten niet de oplossing voor deze grote groep.

KOEMELKALLERGIE
Bij koemelkallergie ligt het anders. Bij koemelkallergie reageert ons lichaam allergisch op het koemelkeiwit. Koemelkallergie komt het meeste voor bij zuigelingen (tot één jaar). De prevalentie van koemelkallergie in het eerste levensjaar wordt geschat op 2 tot 3%, ten opzicht van 0,1 tot 0,3% bij volwassenen. Dat zijn toch zo’n 100.000 volwassen mensen. Het vreemde is dat er pas sinds kort een aparte drinkvoeding voor baby’s is die koemelkallergie hebben (2014). Deze wordt betaald door de verzekering. Maar daarbij hoor je ook vaak de opmerking dat koemelk-allergie vanzelf overgaat: “Kinderen groeien eroverheen, vanaf hun eerste verjaardag. Daarna geen probleem”. Dat blijkt een verkeerde voorstelling van zaken.

DE ROL VAN CASEÏNE
We zien in Nederland dat bijna 2,5 miljoen mensen een zogenaamde melkintolerantie hebben. Maar het vreemde is nu dat intolerantie voor melksuiker (lactose) hier bijna niet voorkomt. Dit type melkintolerantie zie je eigenlijk vooral terug bij mensen in Azië en bij mensen van Aziatische afkomst, die hier in Nederland wonen. Bedrijven zoals de Melkunie en het voedingscentrum zeggen dat lactose de boosdoener is en dat het verwijderen van lactose uit de melk het probleem voor iedereen oplost. Dus niet. Een lactose-intolerantie wordt door de huisarts of specialist wel gevonden, maar een “intolerantie” voor melkeiwit wordt zelden vastgesteld. Dit type melk “intolerantie” wordt niet (h)erkend, omdat het niet eenvoudig te meten is. De oplossing voor deze vorm is niet de lactose uit de melk halen, maar de melk uit een andere koe: de ‘A2-koe’. Dit verklaart ook waarom het aantal “intoleranties” alleen maar toeneemt. Een recent onderzoek uit Amerika geeft aan dat nu 1 op de 4 Amerikanen de symptomen van lactose(lees caseïne)-intolerantie vertonen. En vooral daar waar de melk van de hoogproductieve Holstein-koeien wordt gebruikt. Voor alle duidelijkheid: Dit zijn de moderne koeien uit Nederland (de zwart-witte of bruin-witte bontgevlekte koe). De Holstein is een populair exportproduct van Nederland en ook het buitenland zit er vol mee, inclusief Amerika.

A1- EN A2-KOEIEN
Dr. Thomas Cowan schrijft hier het volgende over: “De A1-eiwitten komen naar verhouding veel minder in melk van Jersey ( ongeveer 65% van Jersey koeien geven zelfs uitsluitend A2-melk), Guernsey, en de meeste Aziatische en Afrikaanse koe-rassen, waar in plaats daarvan de A2-eiwitten overheersen.” Het argument van veel mensen dat er overal in de wereld melk wordt gedronken en dat het een natuurlijk product is, klopt daarom maar gedeeltelijk. De grootste bevolkingsgroepen in de wereld die melk drinken, drinken de melk van A2 koeien. “Er is zoveel bewijs dat heel veel mensen de melk van A2-koeien wel kunnen verteren, maar die van de A1-koeien niet,” zegt Keith Woodford, professor aan de Lincoln University in Nieuw-Zeeland, die in 2007 het boek schreef ‘Duivel in de melk … ziekte, gezondheid, en de politiek van de A1 en A2-melk’. “Meer dan 100 studies leggen het verband tussen het A1-eiwit (caseïne) en een hele reeks aan gezondheidsproblemen – alles van hart-en vaatziekten tot diabetes en autisme,” aldus Woodford. Sinds meer dan een decennium, heeft een in Auckland gevestigd bedrijf genaamd ‘A2 Corporation’ al een merk van A2-melk in Nieuw Zeeland en Australië op de markt gebracht; het is nu goed voor 8% van de Australische zuivelmarkt. In 2012 introduceerde A2 Corp haar melk in het Verenigd Koninkrijk via de Tesco-keten, waar de melk wordt verkocht voor ongeveer achttien procent meer dan gangbare melk. Wat er gebeurt is dat critici hierover schrijven alsof het succes van A2 Corp een overwinning is van een marketingstrategie en niet van de wetenschap. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid zegt dat er geen verband bestaat tussen de consumptie van A1-melk en de tientallen gezondheids- en spijsverteringsproblemen. De enige erkenning is die van de lactose-intolerantie. Het A1/A2-debat wordt nog steeds in Australië, Nieuw-Zeeland en delen van Europa gevoerd.

VANAF DE HYPOTHESE TOT NU
De A1-melkhypothese werd in 1993 bedacht door Bob Elliott, een professor op het gebied van kindergeneeskunde aan de Universiteit van Auckland. Elliott geloofde dat de consumptie van A1-melk vermoedelijk de oorzaak zou kunnen zijn voor de ongewoon hoge incidentie van type 1-diabetes bij Samoaanse kinderen in Nieuw-Zeeland. Hij en een collega, Corran McLachlan, vergeleken de consumptie per hoofd van A1-melk met de prevalentie van diabetes en hart- en vaatziekten in twintig landen en kwamen met sterke correlaties.

Critici stellen dat de relatie zou kunnen worden weggeredeneerd door andere factoren, zoals voeding, levensstijl, en breedtegraad-afhankelijke blootstelling aan vitamine D door zonlicht en andere gerelateerde argumenten. Maar een studie van Elliott in 1997, gepubliceerd door de International Dairy Federation, toonde aan dat A1-bèta-caseïne bij muizen diabetes ontwikkelt, en ondersteunde hiermee de hypothese. Door dit onderzoek kwam in 2000 in contact met de ondernemer Howard Paterson uit Nieuw-Zeeland’s South Island, en zij startten samen de A2 Corporation. Hierna kwamen meer onderzoeken. Onafhankelijke wetenschappers vonden ook steeds meer argumenten om deze A1-hypothese te ondersteunen. Een peer-reviewed studie uitgevoerd aan de National Dairy Research Institute in India, gepubliceerd in oktober in het European Journal of Nutrition, bleek dat muizen gevoed met A1-bèta-caseïne teveel enzymen gingen produceren die gelinkt waren aan de controle op het immuunsysteem en dat andere studies aantoonden dat deze gekoppeld waren aan hart- en vaatziekten en auto-immune aandoeningen zoals eczeem en astma. De toonaangevende verklaring waarom sommige mensen wel, en anderen slecht reageren op A1-melk is het leaky gut syndrome – een concept dat binnen d complementaire geneeskunde al vaker werd genoemd, maar moeilijk geaccepteerd werd in de medische wereld. Het idee is dat losse verbindingen in de darm, vergelijkbaar met de gaatjes in een koffiefilter, de slechte eiwitten zoals BCM-7 in het lichaam terecht laat komen. Het lichaam brengt immuuncellen in de strijd, waardoor ontstekingen ontstaan met als gevolg zwelling en pijn, veelbetekenende symptomen van auto-immuunziekten zoals artritis en diabetes, en autisme.
Hoewel veel volwassenen last kunnen hebben van lekkende darmen, is deze conditie normaal bij baby’s jonger dan een jaar oud: die hebben van nature semi-permeabele darmen. Daarom kan dit een probleem worden als ze gevoed worden met de typische koemelkformule. Een studie uit 2009 toonde aan dat bij baby’s die met deze formule werden gevoed de ontwikkeling van spierspanning en psychomotorische vaardigheden langzamer ging dan bij kinderen die werden gevoed met alleen A2- of moedermelk.
Onderzoekers in Rusland, Polen en Tsjechische Republiek suggereren dat er een verband bestaat tussen BCM-7 met wiegendood: het bloedserum van een aantal baby’s die een “near-miss SIDS” incident meemaakten bevatte meer BCM-7 dan van gezonde baby’s van dezelfde leeftijd.
De zuivelindustrie moet meer en meer geïnteresseerd en betrokken worden in het A1/A2-debat. Zo wordt er in bijvoorbeeld Amerikaanse bedrijven die stiersperma verkopen voor de fokkerij, informatie over de exacte A1/A2-genetica van hun aanbod vermeld. Maar de overgang naar A2-melk kost natuurlijk veel geld en veel tijd. De mainstream-industrie heeft het altijd als een bedreiging gezien, terwijl het een andere manier van kijken is naar melk. Wanneer het aangepast wordt kunnen er juist meer mensen melk gaan drinken.

OVER HET BOEK
Het boek: De duivel in de Melk: ziekte, gezondheid en de politiek van de A1 en A2-melk, door Keith Woodford, met een voorwoord door Thomas Cowan. Dit baanbrekende werk is het eerste internationaal gepubliceerde boek waarin het verband word gelegd tussen de melk die we drinken en een reeks van ernstige ziekten, waaronder hart- en vaatziekten, type 1-diabetes, autisme en schizofrenie. In ‘Devil in the Milk’, verzamelt Woodford het bewijs van meer dan 100 wetenschappelijke artikelen. Hij onderzoekt de studies die kijken naar het verband tussen de consumptie van A1-melk en de incidentie van hart- en vaatziekten en diabetes type 1; Hij legt uit hoe de wetenschap de A1/A2-hypothese onderbouwt; en hij onderzoekt het onderzoek dat met dieren en mensen is gedaan. Het bewijs is overtuigend: We moeten overschakelen op A2-melk.



NAET

Allergie-eliminatie

HPU

Chronisch moe

Clienten vertellen

Ervaringen van anderen...

Laboratorium tests

Wat zijn de mogelijkheden?